Veel bezoekers van het Amsterdamse Rijksmuseum gaan na het bewonderen van de schilderijen van Rembrandt ook altijd even kijken naar de beroemde Hollandse 17e-eeuwse (pronk)stillevens, in al hun kleur en verscheidenheid. De kunstenaar van toen moet over een grote kundigheid hebben beschikt om enerzijds een veelheid aan voorwerpen, elk afzonderlijk, zo ‘echt’ mogelijk weer te geven en anderzijds te komen tot een aantrekkelijke en evenwichtige compositie van kleuren, vormen en materialen. Ook moest hij bedreven zijn in de weergave van de lichtval op elk voorwerp apart en in het verbeelden van alle verschillende soorten materialen en oppervlakken: bedauwde druiven, fluwelige perziken, ruwglanzende granaatappels en dieprode aardbeien met hun licht ingezonken zaadjes, naast porseleinen vazen, aardewerken en zilveren schalen, brokaten kleden, glaswerk en tin; hoe verschillender de stofuitdrukking, des te uitdagender het is en hoe meer waardering de schilder ontvangt. De opdrachtgever laat het schilderij maken om zijn rijkdom te tonen: de meer dan overdadig gevulde tafel en het fraaie en vaak kostbare interieur worden aan de buitenwereld getoond als een teken van status. In deze tijd speelt ook de symboliek van de afgebeelde voorwerpen een grote rol: als een soort waarschuwing aan de opdrachtgever beelden de kunstenaars de vergankelijkheid van het leven uit door het gebruik van onder andere vruchten en bloemen in stillevens (die zullen al snel erna vergaan zijn…).
In de volgende eeuwen breidt het genre zich verder uit met nieuwe onderwerpen en zo ontstaan naast het pronkstilleven bijvoorbeeld het (zee)banket, het jachtstuk, het vanitas stilleven, de eettafel en het zogenoemde ‘toebackje’ (stilleven van pijpen en andere rookartikelen). Er komen steeds meer varianten bij, in verschillende stijlen en stromingen: in impressionistische losse toetsen, kubistische vormen en expressionistische kleuruitspattingen – kunstvormen waarbij de exacte gelijkenis ondergeschikt is aan de individuele beleving van de kunstenaar. Daarnaast zien we de precieze uitwerking weer terugkomen, maar nu in het realisme van de 20e-eeuw.
Wanneer met het impressionisme de kunstenaar meer vrijheid van uitbeelden krijgt, wordt de diversiteit aan soorten stillevens alleen maar groter. Er ontstaan bijvoorbeeld meer stillevens van intieme hoekjes in de kamer, keuken, hal in het boudoir of schildersatelier. De impressionistische schilder Salomon Garf Stilleven met aardbeien in een mand vestigt zich na zijn opleiding aan de Amsterdamse Academie in het Gooi. Zijn groot schildertalent blijkt bij alle genres die hij al dan niet in opdracht uitvoert. Bekend van hem is, dat hij zelf een voorkeur heeft voor intieme stillevens wanneer hij voor zijn plezier schildert.
Coba Surie volgt na haar opleiding schilderlessen bij Jo Bauer-Stumpff en Coba Ritsema. Lizzy Ansingh haalt haar daarna in de kring van Amsterdamse Joffers. Iedere ‘Joffer’ werkte op zichzelf en had haar eigen persoonlijkheid en artistiek niveau. maar door hun wekelijkse ontmoetingen ontstonden vriendschappen voor het leven. Surie heeft een duidelijke voorliefde voor stillevens van vis of alledaagse voorwerpen, die zij schildert in warme, rijke kleurschakeringen. Illustratief voor deze voorkeur boven haar portretten is haar uitspraak: ‘Geef mij maar stillevens, dat praat tenminste niet’.
De Leidse Schoolschilder Chris van der Windt wordt in zijn tijd gezien als een alleskunner met een groot talent. Samen met Arend Jan van Driesten en enkele anderen trekt hij door het landschap rondom Leiden om de natuur te schilderen. Ook Lucas Verkoren haakt regelmatig aan. De Leidse School behoort tot de nabloei van de Haagse School en Van der Windt zal deze stroming altijd trouw blijven. Ook hij maakt graag stillevens, in warme kleuren en in een impressionistische toets. De onderwerpen zijn eenvoudig, meestal bloemen, fruit of huisraad uit zijn eigen omgeving. Zij worden door hem zonder opsmuk en vaak van zo dichtbij geschilderd, dat er sprake is van een close-up. Hij staat erom bekend dat hij zijn bloemen regelmatig zonder vaas weergeeft om de compositie wat spannender te maken. Lukas Verkoren, die in zijn beginjaren met Chris van der Windt en anderen door het Leidse ommeland trok, ontwikkelt zich eind jaren 30 onder invloed van de nieuwe zakelijkheid tot een gewaardeerd realist. Uit zijn realistische periode zijn hier twee stillevens afgebeeld.
De 20e-eeuwse realisten geven vrijwel allemaal de voorkeur aan het schilderen van stillevens. Zij houden van de precieze, fijn uitgewerkte weergave van hun voorwerpen in navolging van hun illustere 17e-eeuwse voorgangers.
In het relatief kleine, geschilderde oeuvre van Jan Wittenberg nemen zijn fijn uitgewerkte, ingetogen stillevens een prominente plaats in. Vanaf de twintiger jaren wordt hij gezien als een vroege representant van het nieuwe realisme. Bij hem ontbreken echter de melancholie en zwaarmoedigheid, die zo kenmerkend zijn voor deze stroming. Hij neemt wat meer afstand, geeft meer aandacht aan vlakverdeling, compositie en kleur en gaat uit van de onschuld der dingen. Zijn composities bestaan uit eenvoudige onderwerpen tegen een donkere of vuilwitte achtergrond en worden vaak van boven bezien. Hiermee zoomt hij in en komt net als de impressionist Chris van der Windt tot een close-up van het werk. In eenvoud en uitwerking doet zijn oeuvre denken aan dat van Jan Mankes.
Nadat Gerrit de Jong in de jaren 30 kiest voor een leven als autodidactisch kunstenaar, wordt zijn talent al snel onderkend. Als hij in 1940 in het Rijksmuseum deelneemt aan de groepsexpositie Onze kunst van heden, koopt het museum drie van zijn geëxposeerde werken aan. De Jong heeft bewondering voor de precisie van oude meesters als Jan van Eyck en Hendrick Avercamp. Op het afgebeelde schilderij zien wij dit terug in het portretje dat vermoedelijk Agatha van Schoonhoven voorstelt, die in 1529 werd geschilderd door Jan van Scorel (1495-1562).
Als we nu in het heden kijken naar het genre stilleven door alle kunststromingen heen, dan kunnen we stellen dat het qua kleur en verscheidenheid niet onderdoet voor een van zijn 17e-eeuwse basisstukken, het pronkstilleven.